Begrippen

Autonoom: zelfstandig en vrij eigen keuzes maken en beslissingen nemen.

Begeleiding: alle activiteiten die gericht zijn op bevordering, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid en participatiemogelijkheden van de cliënt.

Begeleidingsplan: het individuele plan dat in overleg met de cliënt is opgesteld en dat beschrijft welke begeleiding de cliënt ontvangt naar aanleiding van zijn hulpvraag op het gebied van zelfredzaamheid, participatie, wonen en opvang.

Behandelaar: de zorgverlener die een deel van het behandelplan van een individuele cliënt uitvoert en daarvoor verantwoordelijk is vanuit zijn professionele autonomie.

Behandeling: alle activiteiten in het kader van individuele diagnostiek, therapie en behandeling.

Behandelplan: het individuele plan dat in overleg met de cliënt is opgesteld, dat voldoet aan de wettelijke eisen en dat beschrijft welke zorg de cliënt ontvangt naar aanleiding van zijn hulpvraag. In een behandelplan kunnen ook verpleeg- en begeleidingsdoelen voorkomen, zolang deze ondersteunend zijn aan de behandeling. Het behandelplan kan ook elementen bevatten die niet met de cliënt zijn afgestemd, zoals bij bemoeizorg en forensische zorg.

Bekwaamheid: voldoende kennis en ervaring hebben om bepaalde werkzaamheden naar behoren te verrichten.

Bevoegdheid: het uitvoeren van werkzaamheden binnen de grenzen van het wettelijk omschreven deskundigheidsgebied.

BIG-registratie: beoefenaren van de BIG- beroepen kunnen zich in het BIG-register  laten inschrijven indien zij voldoen aan de wettelijke opleidingseisen die voor hun beroep gelden en er voor hun inschrijving geen weigeringsgronden van toepassing zijn. BIG-beroepen zijn: apothekers, artsen, fysiotherapeuten, gezondheidszorg-psychologen, tandartsen, verloskundigen, verpleegkundigen en psychotherapeuten.

Cliënt/patiënt: een persoon die door een erkende verwijzer is aangemeld bij de organisatie, die door de organisatie is ingeschreven en na het intakegesprek geaccepteerd is als cliënt. Daarmee bestaat er een behandelingsovereenkomst tussen de organisatie en de cliënt op grond van de WGBO.

Discipline: specifieke beroepsgroep en/of (wetenschappelijk) vakgebied.

DSM: handboek voor diagnostiek van psychiatrische stoornissen.

Integrale zorg: alle processen van een zorgaanbieder en eventueel andere zorgaanbieders die invloed hebben op de kwaliteit van zorg zodanig sturen en borgen dat de zorg de kwaliteit heeft die men met elkaar nastreeft.

Gepast gebruik: de juiste inzet van zorg, niet meer dan nodig en niet minder dan noodzakelijk is, op alle momenten tijdens een behandeling.

Geschiktheid: geschikt zijn om beroepsmatig zorg te verlenen aan cliënten. Een zorgaanbieder kan de geschiktheid van medewerkers onderzoeken door o.a.  een verklaring omtrent gedrag te vragen en het arbeidsverleden te onderzoeken.

Ggz: geestelijke gezondheidszorg.

Multidisciplinair overleg: het periodieke overleg van een multidisciplinair team waarin overleg en besluitvorming plaatsvindt over de behandeling van cliënten.

Multidisciplinair team: een team dat bestaat uit verschillende disciplines. Dat wil zeggen: zorgverleners met elk hun eigen beroep en deskundigheid, die samenwerken om goede diagnostiek en behandeling te leveren.

Organisatie: de op grond van de WTZi toegelaten zorgaanbieder waarvoor de zorgverlener arbeid verricht en die aan cliënten zorg verleent op basis van een behandelingsovereenkomst. In dit geval: de stichting Emergis.

Professionele autonomie: de bevoegdheid van de beroepsgroep (professie) om binnen de eigen professionele standaard regels en richtlijnen vast te stellen voor de juiste uitoefening van dat beroep. Het betekent tevens dat anderen niet mogen eisen dat een zorgverlener zijn beroep uitoefent in strijd met de professionele standaard.

Professioneel handelen: de beroepsbeoefenaar handelt met de deskundigheid en zorgvuldigheid die van hem in deze situatie verwacht mag worden.

Professioneel netwerk: de samenwerking tussen verschillende zorgverleners, ongeacht of ze bij dezelfde of verschillende zorgaanbieders werken.

Professionele standaard: (beroeps)richtlijnen, gedragscodes, (veld)normen, zorgstandaarden en organisatiebeschrijvingen die betrekking hebben op het gehele zorgproces of een deel van een specifiek zorgproces en die beschrijven wat noodzakelijk is om, vanuit het perspectief van de cliënt, goede zorg te verlenen.

Regiebehandelaar: de zorgverlener die de regie voert over het zorgproces.

Supervisor: iemand die leerlingen of medewerkers begeleidt en coacht in een bepaald (opleidings)traject.

Verantwoordelijkheid: de verplichting om taken naar het beste vermogen uit te voeren én de plicht om over de uitvoering van de taken rekenschap af te leggen.

Zorgaanbieder: de rechtspersoon die zorg verleent binnen het domein van de geestelijke gezondheidszorg en verslavingszorg, vertegenwoordigd door de raad van bestuur.

Zorgverlener: de voor de zorginstelling werkzame of vrijgevestigde beroepsbeoefenaar die persoonlijk contact heeft met de cliënt voor preventie, diagnostiek, behandeling of begeleiding en direct cliëntgebonden werkzaamheden uitvoert in het primaire proces.

Zorgverlening: alle activiteiten in het kader van preventie, diagnostiek, behandeling en begeleiding, waaronder het inzetten van methodische (multidisciplinaire) deskundigheid, met als doel geestelijke gezondheidsproblemen te voorkomen, verminderen of op te heffen en/of te streven naar een zo hoog mogelijke mate van herstel en autonomie.

Printversie van deze paginaPrint